RUDOLF STEINER


In 1861 werd Rudolf Steiner geboren in Donji Kraljevec, het huidige Kroatië. Doordat zijn vader bij de spoorwegen werkte, woonde Steiner als jongen op plekken waar het mysterie van de natuur, technologie en de mens samenkwamen. In 1879 begon Steiner aan de universiteit van Wenen, waar hij wis- en natuurkunde, filosofie en literatuur studeerde. In 1891 promoveerde hij in de filosofie. Steiner was met name geïnteresseerd in de vrije wil en de vraag of de mens de werkelijkheid kan kennen.

 

Langzaamaan ging Steiner zich ook verdiepen in ‘de spirituele wetenschap’. In 1913 richtte hij het Antroposofisch Genootschap op en ontwikkelde de antroposofie zich onder leiding van Steiner. In deze beweging kwamen allerlei thema’s, god- en mensbeelden samen in een overkoepelende levensbeschouwing die zich ontwikkelde tot o.a. biologisch-dynamische landbouw, antroposofische gezondheidszorg en de vrijescholen of Waldorfscholen.

In 1919 stichtte Steiner de eerste Waldorfschool voor de kinderen van fabrieksarbeiders. De eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Austria had hem hiervoor gevraagd nadat hij hem had horen spreken over zijn progressieve ideeën over onderwijs, zoals het idee dat jongens én meisjes van verschillende sociale klassen samen werden onderwezen. In de jaren die volgden, verspreidde deze schoolvorm zich naar verschillende landen binnen en buiten Europa. Ondanks deze groei kregen en krijgen Steiner en zijn navolgers veel kritiek. Zijn methodes en visie zouden te mystiek en niet wetenschappelijk genoeg zijn en bovendien sektarische trekken vertonen.

Steiners idee was echter niet het aanleren van een antroposofische wereldvisie, maar onderwijs met een universeel menselijke maat. De Waldorfscholen onderwezen leerlingen tussen de 7 en 19 jaar.

 

Daarbij moest de ontwikkelingsfase en de interesse van het kind leidend zijn. Een goede moraal ontstond volgens Steiner door het juiste voorbeeldgedrag en niet door straffen. Ook waren praktische en creatieve vakken even belangrijk als cognitieve vakken. De ontwikkeling van kinderen werd aan het einde van het jaar besproken en niet beoordeeld met cijfers. Als laatste moest er ook aandacht zijn voor het lichaam: beweging en juist eten als basis van de toekomstige gezondheid. Op dit moment zijn er in Nederland tachtig vrije basisscholen en nog eens achttien vrijescholen in het voortgezet onderwijs. Deze scholen opereren in de vrije pedagogische ruimte die het Nederlandse onderwijssysteem biedt. Hoewel er onderlinge verschillen zijn, zien we dat Steiners ideeën vorm hebben gekregen in dit onderwijs. Zo krijgen kinderen op deze scholen naast de basis heel veel creatieve vakken, zoals toneelspelen en handenarbeid. Er wordt veel gebruik gemaakt van natuurlijke materialen zoals hout en wol. Daarnaast is euritmie – dansen op muziek – verplicht voor alle jongens en meisjes. Verder staan de ontwikkelingsfasen van kinderen centraal, waarbij de nadruk eerst ligt op spelen, dan op verbeelding en later op beoordelingsvermogen. Ook is er veel aandacht voor het ritme van de seizoenen en verschillende spirituele feesten.